Tout ou Rien dans La Libre Belgique du 12 Septembre 2017

Charleroi : « Tout ou rien », pièce carolo multi-primée

La Libre.be

Hainaut La pièce de théâtre est de retour au pays avec des prix internationaux.

Le spectacle muet « Tout ou rien », créé à La Ruche Théâtre de Marcinelle il y a un an et qui n’a été joué qu’une fois chez nous, est de retour au Pays Noir.

La troupe Théâtre 2000 sort d’une longue tournée en France et en Suisse. Et les comédiens reviennent avec un prix prestigieux : la première place à l’édition 2017 du festival international « La Tour en Scène », en Suisse. Le festival de Marrakech s’est quant à lui annoncé intéressé aussi par la suite.

« Le pitch est simple : ce sont neuf comédiens en scène, ils sont dans une salle d’attente et ils attendent, explique Lola Destercq, une des actrices du spectacle. Et en fait, il se passe plein de trucs, mais vu que le spectacle est muet, tout passe par le corporel. On peut deviner la personnalité des gens, les gestes, mais aussi l’individualisme et l’égoïsme de l’homme : on voit jusqu’où l’homme est prêt à aller s’il a quelque chose à y gagner. »

Absurde et burlesque

Mais assister aux 75 minutes (sans entracte) que dure ce spectacle, c’est aussi pour la comédie. Parce que « Tout ou rien » se veut absurde et burlesque. Avec une pointe de rêve. « Par moments, on entre dans la tête du personnage, par exemple, l’un d’eux est très maladroit, mais dans son rêve il devient un danseur étoile gracieux. »

Inspiré d’une pièce d’Eric de Staercke, « Nothing Rien Niks Nada », pour l’idée de la salle d’attente, la comparaison s’arrête là : tout a été créé à base d’improvisation de cette petite troupe amateur, Théâtre 2000, et retravaillé par la suite. « On voulait repasser ici, pour que les Carolos puissent retrouver le spectacle qu’ils ont manqué il y a un an, et peut-être en mieux, maintenant que la pièce a bien tourné à l’étranger. »

La pièce sera jouée à l’Eden, ces vendredi 15 et samedi 16 à 20 h 30, et ce dimanche 17 septembre à 16 heures.

Réservations (13€ la place, 10€ pour les -26 ans) au 0499.415.417 ou theatre2000@hotmail.com.

Share

« Tout ou Rien » fait l’ouverture du Festival International de Théâtre d’Amateur de Namur

Le Tap’s organise tous les deux ans le Festival International de Théâtre d’Amateurs qui rassemble à Namur une dizaine de compagnies issues des quatre coins du monde, dans une ambiance conviviale qui favorise les découvertes multiculturelles.

THEATRE 2000 a été sélectionné pour ouvrir ce festival le mercredi 23 août, à partir de 20:30 à la salle Marlagne (chemin des Marronniers, 26 à Wépion), avec son spectacle original « Tout ou Rien ».

Cette représentation sera également l’occasion de présenter les compagnies du festival et un verre de l’amitié sera offert à l’issue du spectacle.

Le programme complet du festival: Programme FITA Namur

Share

Tout ou Rien

Inspiré de « Nothing Rien Niks Nada » du « Panach’Club ».

Le dernier spectacle du THEATRE 2000, une vraie création toute en situations. Neufs chaises suffisent pour camper nos espoirs, nos inquiétudes, nos envies et nos refus. Bref, neuf personnages bien fiers, bien seuls. Et lorsque le contact s’établit, ça fait mal ! Donc, ça fait rire…

Un spectacle muet qui parle tout seul.
Du théâtre jouissif, gonflé d’absurde et d’humour burlesque.
Une salle d’attente, des gens qui attendent. Ils sont 9 … à attendre on se quoi… pour aller on ne sait où…!
Ils viennent pour « TOUT », il ne se passe … « RIEN » !

L’attente devient insupportable et exacerbe les individus, les met face à eux-mêmes. Tant de questions se posent : l’égoïsme, l’ambition personnelle, sa propre place…

Malgré les différences et l’ambition de chacun, tous finissent par se retrouver au même tournant, à partager un même instant avec l’autre, avec les autres, confrontant leurs égos, avant la fin,

Comme des voyeurs, les spectateurs se retrouvent coincés avec eux dans cette mystérieuse salle d’attente et… c’est le rire qui les décoince.
Spectacle mimodramatique loufoque, « Tout ou Rien », une drôle de fable sur le drame de l’égoïsme, une pièce avec « rien » qui nous raconte « tout ».

Adaptation et mise en scène: François Langlois.

Share

Biografie Arne Sierens

Arne Sierens werd geboren op 15 augustus 1959. Hij groeide op in de Brugse Poort, een arbeiderswijk aan de westkant van Gent. Zijn verbondenheid met die wijk heeft een onmiskenbare stempel op zijn werk gedrukt. Wat Aalst is voor Louis Paul Boon, Rimini voor Fellini of Little Italy voor Scorcese, is dit eiland van arbeiders en sociale woningen voor Sierens: ‘Een plek waar de condition humaine zichtbaar wordt. Er wonen geen goden, maar sukkelaars, je ziet er geen tragedies, maar melodrama’. Van zijn vader, de vroeg gestorven romancier en filmrecensent Frans Sierens, krijgt hij de liefde voor literatuur en film mee. Op die manier komt Arne Sierens reeds vanaf zijn kinderjaren in contact met de spanning tussen Kunst met hoofdletter en de volkscultuur, een spanning die een belangrijke zal spelen in zijn oeuvre.

Na de middelbare school volgt hij de opleiding regie aan het RITCS in Brussel, waar hij in 1981 afstudeert. Hij start zijn carrière als regie-assistent bij Gentse theaterhuizen als het NTG, Arena en Arca. Een tijdlang is hij lid van het performancecollectief Parisiana van Erik Devolder. Tijdens zijn studentenjaren is hij actief in de muziekwereld als organisator en als zanger van de postpunkgroep Perfectone (1980-1981), de band die hij samen oprichtte met Johan De Smet en zijn broer Sven. De punkscene en de hele (rebellerende) subcultuur worden een belangrijke inspiratiebron voor Sierens’ latere teksten en ensceneringen. Johan De Smet zal later de muziek componeren voor de drie opera’s die ze samen maken: ‘Het rattenkasteel’ (1984), een sleutelproductie, gebaseerd op de strip van Marc Sleen, ‘De liefde voor de drie manen’ (1988) en ‘Je pleure des bananes’ (1989).

In 1977 had Arne Sierens ‘Dodenklas’ van Tadeusz Kantor gezien, de poolse theatermaker die hij als zijn grote mentor ziet en wiens stijl en methode van werken hem fundamenteel hebben beïnvloed.

In 1982 richt hij met regisseur/acteur Jan Leroy en een aantal spelers (waaronder de latere schrijfster Geertrui Daem), de theatergroep met de programmatische naam De Sluipende Armoede op. Dat gebeurde toen in de marge van het officieel gesubsidieerde theater, dat nauwelijks mogelijkheden bood aan de nieuwe generatie theatermakers. Binnen dit gezelschap worden de meeste van Sierens’ eerste theaterprodukties en opera’s gecreëerd.

Na regies en bewerkingen van de klassieke stukken ‘De Ruiters/De Zee’ (naar J.M.Synge), ‘Stella’ van Goethe en ‘Rode Oogst’ (naar de 17de eeuwse wraaktragedie Arden of Feversham), debuteert hij als schrijver met ‘Het Vermoeden’ (1982) dat hij samen met Jan Leroy bij het amateurgezelschap De Melomanen regisseert. De samenwerking met Jan Leroy zet hij verder tijdens ‘De Soldaat-Facteur en Rachel’ (1986), een stuk over de eerste wereldoorlog, waar hij naast auteur en coregisseur ook acteur is, en tijdens ‘Los Muertesitos / Onze Lieve Doden’ (1988), produkties waarin hij de wegen van het episch theater verkend.

Een belangrijk moment is de creatie van ‘Mouchette’ (1990) voor Oud Huis Stekelbees, in een regie van Johan Dehollander. De tekst wordt herhaaldelijk bekroond in binnen- en buitenland en betekent voor Sierens de doorbraak naar een groter circuit. Zo schrijft hij voor Toneelgroep Amsterdam ‘Constant Pardon / Falstaff in Congo’ (1990). Het stuk werd er echter nooit opgevoerd.

De samenwerking met Johan Dehollander als regisseur zet hij van 1992 tot 1994 verder als huisschrijver van de Blauwe Maandag Compagnie, het toenmalig gezelschap van Luc Perceval. In deze context komen ‘Boste’ en het tweeluik ‘De drumleraar’ en ‘Juffrouw Tania’ tot stand. Op basis van improvizatie met de spelers komt de raamvertelling ‘Dozen’ tot stand. Voor Het Zuidelijk Toneel van Ivo Van Hove vertaalt hij intussen ‘Het begeren onder de olmen’ (1992) van Eugene O’Neill en ‘Splendid’s’ (1994) van Jean Genet.

Sierens constateert in die periode dat schrijven alleen hem niet interesseert en beslist radikaal hij terug te keren naar zijn oorspronkelijk ideaal van ‘auteurstheater’ waarbij – zoals in de ‘auteurscinema’ – schrijven en regisseren deel uit maken van één continu creatieproces. Deze beslissing leidt tot een breuk met Blauwe Maandag Compagnie.

Hij vindt nadien een artistieke partner in choreograaf Alain Platel. Samen maken zij de trilogie ‘Moeder & Kind’ (1994) ‘Bernadetje’ (1996) en ‘Allemaal Indiaan’ (1999). Deze voorstellingen, geproduceerd door het Gentse theaterhuis Victoria, gaan een origineel verband aan tussen dans, theater, muziek, actie en vertelling en werken voor Arne Sierens als een bevrijding. Ze krijgen nationaal en internationaal bijzonder veel weerklank. De Franse krant Le Monde plaatst ‘Bernadetje’ op één lijn met het werk van Peter Brook en Pina Bausch. De drie produkties toeren uitgebreid over de hele wereld en overal bekroond.

Parallel aan zijn samenwerking met Alain Platel, gaat hij vanaf 1995 een artistieke alliantie aan met Johan Dehollander en zakelijk leider Stef Ampe in het Gentse Nieuwpoorttheater. Het drietal laat dit huis evolueren van een presentatieplatform naar een kunstencentrum. Samen met Dehollander maakt Sierens de vertelproduktie ‘Napels’ (1997). Hij schrijft in 1998 ‘De broers Geboers’. een produktie die erg controversieel is omdat er het opkomend rechts extremisme wordt in uitgetekend.

In 1997 is Nieuwpoorttheater curator van het Time Festival en zet Sierens het ‘Onderzoeksproject Kuiperskaai’ waarin bewoners en betrokkenen door een groep onderzoekers worden geïnterviewd over hun relatie met deze beruchte uitgaansbuurt van Gent.

Gaandeweg in deze periode ontwikkelt hij zijn eigen, unieke methode van werken: creaties in collectief met de spelers, op basis van vanuit uitgebreide improvizaties op de vloer, gekoppeld aan interview- en researchsessies. Hij laat zijn schrijftafel en de speelvloer als het ware volledig in mekaar opgaan. Deze methode past hij vanaf dan toe in bijna al zijn volgende produkties.

In ‘Mijn Blackie’ (1998) een coproductie met HETPALEIS, cast hij voor de eerste keer zijn latere kompaan Johan Heldenbergh. Beeldend kunstenaar Guido Vrolix wordt zijn vaste scenograaf. Nadien volgen het fel gecontesteerde ‘Niet alle Marokkanen zijn dieven’ (2001) en ‘Martino’ (2003), beiden in coproduktie met HETPALEIS.

In 2004 leidt een nieuwe artistieke alliantie tussen Johan Heldenbergh, Marijke Pinoy en Arne Sierens, tot de oprichting van Compagnie Cecilia. Hun eerste produktie ‘Maria Eeuwigdurende Bijstand’ wordt geselecteerd voor het festival van Avignon. Bij hun passage schrijft Le Figaro: ‘Arne Sierens, l’un des hommes du théâtre européen qui sait le mieux entendre et traduire la détresse du monde, sans leçon, sans discours politique, mais par une écriture scénique.’

Binnen Compagnie Cecilia volgen nadien ‘Trouwfeesten en processen enzovoorts’ (2006), ‘Broeders van Liefde’ (2008) in samenwerking met Union Suspecte, ‘Apenverdriet’ (2009) en ‘Schöne Blumen’ (2010), allen in coproduktie met HETPALEIS. Er vormt zich een vast gezelschap met spelers als Titus De Voogdt, Robrecht Vanden Thoren en Mieke Dobbels.

Hoewel de subsidie in 2009 stijgt, is die onvoldoende om alle artistieke ambities waar te maken en verlaat Marijke Pinoy het gezelschap. Vanaf dan vormen en Sierens en Heldenbergh de artistieke spil van Compagnie Cecilia.

Tijdens het erg radicale ‘Altijd Prijs’ (2008) werkt Sierens voor het eerst met de franse componist/gitarist Jean-Yves Evrard, die vanaf dan zijn vaste muzikale partner wordt voor de meeste van zijn volgende produkties.

Met ‘De Pijnders’ (2011) wordt er, in coproduktie met Theater Antigone en De Werf Brugge, weer een produktie van groot formaat gemaakt met zes spelers en drie muzikanten.

Met de monoloog ‘Lacrima’ (2012) schrijft Sierens terug een stuk aan tafel, dat hij vervolgens regisseert.

Als groot circusliefhebber integreert Sierens voortdurend circuselementen in zijn voorstellingen. Met ‘Gloria (in den hoge)’ (2013) en Ensor werkt hij voor het eerst samen met circusartiesten, de laatste produktie is een samenwerking met Circus Ronaldo.

Als theatermaker heeft Arne Sierens een zeer persoonlijke en unieke stijl, weg van het traditionele theater, met sterke wortels in het alledaagse, het volkse en het epische. Hij noemt zich ‘seismograaf van deze tijd’ en streeft naar een autonoom theater dat zich losmaakt uit het literaire en zich inschrijft in het fysieke en het dansante. Hij heeft een obsessie voor het anekdotische, dat hij verzamelt via langlopende interview- en onderzoeksprojecten.

Centraal in zijn methode van werken staan de improvizaties van zijn spelers op de vloer en intense personagestudies, waaruit hij bewegingen en teksten ‘samplet’, die hij dan via een lang gistingsproces (vijf maanden werken is de regel) mixt met zijn eigen teksten en fysieke voorstellen en weeft tot een ‘partituur’ die de basis vormt van het uiteindelijk spektakel waarin alle elementen samenvloeien tot een ritueel en theater dat ‘even levend en tastbaar is als het leven zelf’ en als het ware bij elke voorstelling opnieuw wordt geboren.

Hij zoekt voortdurend naar de alchemie tussen tekst, vertelling, dans en muziek, en naar een permanente cross-over met populaire cultuur zoals het melodrama en het circus. Zijn obsessie voor beweging en muziek brengt hem erv toe samen te werken met choreografen zoals Alain Platel, Koen Augustijnen en Ted Stoffer,; en componisten zoals Jean-Yves Evrard en Daan Vandewalle.

Arne Sierens zegt sterk beïnvloed te zijn door het Oosters theater en de Poolse theatermakers Tadeusz Kantor en Grotowski; schrijvers Louis Paul Boon en Céline, en filmmakers als Pier Paulo Pasolini, Federico Fellini, Robert Bresson, Martin Scorcese, Wong Kar-Wai, John Cassavetes, Aki Kaurismaki, Jacques Audiard en Nicolas Windig Refn. Daarnaast vindt hij heel veel inspiratie in strips, beeldende kunst, fotografie en in het bijwonen van assissenprocessen.

« De dialogen zijn niet gebouwd op een psychologiserend discours of gedragen door zwaar gemodelleerde karakters à la Strindberg, om maar één sculpteur van de ziel te noemen. De personages hebben zich vaak zelf in de nesten gewerkt, maar in dat kluwen van miserie en verdriet ontwaar je niet het grote Slachtoffer of de grote Schuldige. Het gaat veeleer om de algemene onmacht van de condition humaine, geconcretiseerd in kleine, spartelende volkse posturen, wier taal navenant is. »

« Het kloeke betoog is vervangen door flitsende taalreflexen, explosieve dialogen die signalen uitsturen van wat daarbinnen bobbelt en kolkt. En daartussen: verhaalsegmenten die wortels blootleggen. De taal is krachtig, primair, soms triviaal, en zeer suggestief. Korte zinnen en een grillige syntaxis die nauwelijks een gedachtestroom afwerkt. In het onbetwistbaar volkse idioom met zijn grote plasticiteit schuilen niet alleen poëzie en humor, maar ook een dosis filosofie van het gezond verstand, vermengd met absurde logica. De figuren spreken het dialect van hun ziel. En het is letterlijk via de taal dat ze ons binnentrekken in hun wezen. Nooit rechtstreeks, en zonder zich helemaal bloot te geven, want dat kunnen ze niet. »

« Het zijn kwetsbare figuren, ze zetten een grote mond op, houden van zelfspot en halen zich gekke situaties op de hals. In conversaties springen ze van de hak op de tak, omdat het in hun aard ligt van niet lang bij de zaak te kunnen blijven, omdat een thema plots als een brok in de keel zit en eruit moet, of gewoon om van het onderwerp af te zijn. Die wispelturigheid is ook fysiek gekleurd en heeft te maken met een soort onrust en onzekerheid. Ze missen houvast en een vaste lijn in hun bestaan en lijken voortdurend op zoek naar een veilige biotoop. In hun relaties (man-vrouw, ouders-kind, vrienden) zit het schots en scheef. Communicatie is niet hun sterkste troef. Maar ze blijven zoeken naar overlevingsstrategieën: in een opgepoetst zelfbeeld, nieuwe contacten, vaste rituelen, hun fantasie, hun dromen … Met grote vanzelfsprekendheid bijten ze zich vast in illusies, maar even vanzelf laten ze die weer los wanneer de realiteit dwingend wordt. Er is nood en tegelijk onvermogen om zich aan elkaar op te trekken of voor elkaar te zorgen. » (Fred Six)

De stukken van Sierens zijn geen ‘tranches de vie’, maar gaan altijd over het totàle leven. Het zijn lange metaforen over het onmogelijke leven en zijn volgens hem oefeningen en strategieën in overleven waarbij het helend effect op de toeschouwer heel belangrijk is. Het is een ‘théâtre cru et drôle, criant de vérité’.

Opvallend zijn steeds de decors van Guido Vrolix: de ijspiste van ‘Maria Eeuwigdurende Bijstand’, de blauwe circuspiste van ‘Trouwfeesten en processen enzovoorts’, de negen ton glasscherven van ‘Broeders van Liefde’, het schokkende stuk tarmac van ‘Altijd Prijs’, het vuurrode ronddraaiende appartement van ‘Apenverdriet’, de bamboestellingen van ‘Schöne Blumen’, de reusachtige wip van ‘De pijnders’ en de zestien ton zware betonblokken van ‘Lacrima’.

Hoewel Arne Sierens vooral bekend is als theatermaker, schreef hij inmiddels een opmerkelijk oeuvre bijéén. Al zijn stukken zijn apart of in verzamelbundels gepubliceerd. Zijn teksten zijn vertaald in verschillende andere talen en worden opgevoerd en gepubliceerd in o.m. Portugal, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Amerika.

Arne Sierens behoort bij één van de meest gespeelde auteurs in het Vlaamse amateurcircuit.

Share

Mort d’Ettore Scola : l’histoire secrète du film Le Bal

Le dernier géant de l’âge d’or du cinéma italien, décédé le 19 janvier, avait obtenu le César du meilleur film en 1984 pour cette fresque historique vue à travers les yeux d’un danseur de salon. Secrets de fabrication.

Sorti en 1983, Le Bal d’Ettore Scola reste un film majeur dans la carrière du dernier géant du cinéma italien mort le 19 janvier à Rome à l’âge de 84 ans. Miroir et reflet de cinquante ans d’histoires politiques et sociales en France à travers les yeux d’un danseur de salon, le long-métrage a révolutionné le cinéma… et tout ça, sans un mot.

Trois césars consacreront le génie visionnaire. En 1984, Le Bal a remporté le César du meilleur film, celui du meilleur réalisateur et celui de la meilleure musique (Vladimir Cosma).

Ce que l’on oublie peut-être aujourd’hui, c’est qu’à l’origine de ce succès de cinéma, il y avait une pièce de théâtre composée collectivement par le théâtre du Campagnol. Une compagnie créée par Jean-Claude Penchenat, qui avait été l’un des fondateurs du théâtre de Soleil avec Ariane Mnouchkine.

«Très choquée» par la disparition du réalisateur qui s’est éteint dans la nuit du mardi 19 janvier, Geneviève Rey-Penchenat qui également joué dans le film, se souvient des différentes étapes de fabrication de ce film unique, tourné d’après «le scénario» qu’elle et son mari avaient établi après le travail collectif.

Le tournage du Bal est arrêté du jour au lendemain

Geneviève Rey-Penchenat et son mari, connaissaient bien le «maestro». Plus qu’une relation professionnelle, les trois artistes entretenaient un lien d’amitié. «Quand il venait à Paris, il venait nous voir. Il parlait très bien français. Ettore Scola était un homme très intelligent. On pouvait discuter de tout avec lui. Il savait considérer l’autre…», raconte l’actrice.

Ettore Scola, Jean-Claude et Geneviève Penchenat ont eu une «aventure particulière». Leur première rencontre remonte aux années 80, lorsque Jean-Claude Penchenat met en scène Le Bal. «Scola est venu nous voir à Anthony. Il a adoré la pièce de théâtre et il a voulu en faire un film» se souvient Geneviève Rey-Penchenat. Les deux scénaristes, qui se sont tout de suite entendus, ont alors longuement discuté: le film se fera à Paris.

Cependant, la santé d’Ettore Scola met très rapidement fin à une collaboration à peine entamée. «Il a fait un infarctus à Paris, donc on a du tout arrêter» se rappelle Geneviève Rey-Penchenat. Mais c’était sans compter sur l’incroyable force de vie du réalisateur qui à peine remis de son attaque cardiaque décide de relancer le tournage mais cette fois-ci à Rome.

«Nous sommes descendus, mon mari et moi à Rome. Pendant 3-4 mois, avec les comédiens de la création, nous avons tourné le film. C’était une occasion incroyable» explique l’actrice. «Ettore Scola était très respectueux des idées de Jean-Claude Penchenat. Il était très à l’écoute, très coopérant. Une complicité s’est créée entre les deux hommes. Durant le tournage nous avons énormément ri (elle soupire). Ça remonte à trente ans et pourtant, pour moi, c’était comme si c’était hier. Ettore Scola était très humain. Il va tous beaucoup nous manquer».

Source : Mort d’Ettore Scola : l’histoire secrète du film Le Bal

Share

Recherche comédiens

Communication TH2000 asbl, son président, Graziano Scatozza, son responsable artistique, Bernard Gillard.

Pour ses prochaines productions importantes, TH2000 souhaite étoffer son équipe de comédiennes-comédiens.

Si envie de nous rejoindre
Si envie de jouer dans un de nos spectacles
Si envie de changement
Si envie de nouveauté
Si envie de débuter dans de bonnes conditions artistiques
Si envie de découvrir le THÉÂTRE 2000

Filles-Garçons, débutants ou non, jeunes, un peu moins jeunes
Rejoignez-nous –> soirée de présentation –> lundi 28.4
Si intérêt, annoncez-vous auprès d’Antoinette (071 45 01 12) qui pourra vous donner heure exacte et adresse; Bien entendu, la participation à cette réunion n’entraîne pas automatiquement l’attribution d’un rôle dans une des productions du THÉÂTRE 2000.

Share